Duits · bijvoeglijk naamwoord of bijwoord

heraus

naar buiten (naar de spreker toe)

bijvoeglijk & bijwoorden · set 35

Voorbeeldzinnen

Der Schlüssel fiel aus der Tasche heraus.
De sleutel viel uit de tas.
Sie kam lachend aus dem Haus heraus.
Ze kwam lachend het huis uit.
Ich will aus diesem Zimmer heraus.
Ik wil uit deze kamer weg.

Onthoud heraus voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen heraus in ripiti