Voorbeeldzinnen
Ich kann nicht kommen, ich muss nämlich arbeiten.
Ik kan niet komen, ik moet namelijk werken.
Er war müde, er hatte nämlich kaum geschlafen.
Hij was moe, hij had namelijk nauwelijks geslapen.
Wir bleiben zu Hause, es regnet nämlich stark.
We blijven thuis, het regent namelijk hard.
Onthoud nämlich voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.
oefen nämlich in ripiti