Duits · naamwoord

das Geschäft

de winkel, de zaak (bedrijf)

met lidwoordnaamwoorden · set 14

Voorbeeldzinnen

Das Geschäft öffnet um neun Uhr.
De winkel gaat om negen uur open.
Ich war gestern in einem Geschäft in der Stadt.
Ik was gisteren in een winkel in de stad.
Morgen muss ich noch in das Geschäft gehen.
Morgen moet ik nog naar de winkel gaan.

Let op

Het lidwoord hoort erbij: das Geschäft. Zo leer je het geslacht meteen mee.

Onthoud das Geschäft voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen das Geschäft in ripiti