Duits · naamwoord

das Schloss

het kasteel, het slot

met lidwoordnaamwoorden · set 60

Voorbeeldzinnen

Wir besichtigen morgen das Schloss.
We bezichtigen morgen het kasteel.
Das Schloss steht auf einem Hügel.
Het kasteel staat op een heuvel.
Der König lebte in einem Schloss.
De koning woonde in een kasteel.

Let op

Het lidwoord hoort erbij: das Schloss. Zo leer je het geslacht meteen mee.

Onthoud das Schloss voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen das Schloss in ripiti