Duits · naamwoord

der Feiertag

de feestdag

met lidwoordnaamwoorden · set 72

Voorbeeldzinnen

Morgen ist ein Feiertag, die Läden sind zu.
Morgen is het een feestdag, de winkels zijn dicht.
Der Feiertag fiel dieses Jahr auf einen Montag.
De feestdag viel dit jaar op een maandag.
Wir wollen den Feiertag am See verbringen.
We willen de feestdag aan het meer doorbrengen.

Let op

Het lidwoord hoort erbij: der Feiertag. Zo leer je het geslacht meteen mee.

Onthoud der Feiertag voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen der Feiertag in ripiti