Duits · naamwoord

die Rechnung

de rekening (te betalen)

met lidwoordnaamwoorden · set 22

Voorbeeldzinnen

Die Rechnung kam gestern mit der Post.
De rekening kwam gisteren met de post.
Ich muss die Rechnung bis Freitag bezahlen.
Ik moet de rekening voor vrijdag betalen.
Der Kellner hat uns eine Rechnung gebracht.
De ober heeft ons een rekening gebracht.

Let op

Het lidwoord hoort erbij: die Rechnung. Zo leer je het geslacht meteen mee.

Onthoud die Rechnung voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen die Rechnung in ripiti