Duits · verbindingswoord

doch

maar (tegenwerping), toch

verbindingswoorden · set 2

Voorbeeldzinnen

Ich wollte lange schlafen, doch das Telefon klingelte.
Ik wilde lang slapen, doch de telefoon ging.
Sie ist müde, doch sie arbeitet weiter.
Ze is moe, doch ze werkt door.
Wir wollten ins Kino gehen, doch es gab keine Karten mehr.
We wilden naar de bioscoop gaan, doch er waren geen kaartjes meer.

Ook goed

trotzdemtoch

Onthoud doch voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen doch in ripiti