Duits · werkwoord

abreisen

vertrekken (op reis), afreizen

werkwoorden · set 26

Voorbeeldzinnen

Wir müssen morgen früh abreisen.
Wij moeten morgenvroeg vertrekken.
Die Gäste sind gestern Abend abgereist.
De gasten zijn gisteravond vertrokken.
Er sagte, dass er am Sonntag abreist.
Hij zei dat hij zondag vertrekt.

Onthoud abreisen voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen abreisen in ripiti