Duits · werkwoord

aufbauen

opbouwen (in elkaar zetten)

werkwoorden · set 34

Voorbeeldzinnen

Wir wollen morgen das Zelt aufbauen.
We willen morgen de tent opzetten.
Sie haben das Zelt schnell aufgebaut.
Ze hebben de tent snel opgezet.
Du kannst das Regal ohne Hilfe aufbauen.
Je kunt het rek zonder hulp in elkaar zetten.

Onthoud aufbauen voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen aufbauen in ripiti