Duits · werkwoord

belegen

bewijzen (met bewijsstukken), volgen (een cursus), beleggen (een broodje)

werkwoorden · set 43

Voorbeeldzinnen

Er kann seine Aussage mit Fotos belegen.
Hij kan zijn bewering met foto's bewijzen.
Ich habe im Sommer einen Kurs an der Uni belegt.
Ik heb in de zomer een cursus aan de universiteit gevolgd.
Das Brötchen wird mit Käse und Schinken belegt.
Het broodje wordt belegd met kaas en ham.

Onthoud belegen voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen belegen in ripiti