Duits · werkwoord

rennen

rennen

werkwoorden · set 47

Voorbeeldzinnen

Die Kinder rennen über den Spielplatz.
De kinderen rennen over de speelplaats.
Er ist zum Bahnhof gerannt.
Hij is naar het station gerend.
Wir müssen rennen, sonst verpassen wir den Bus.
We moeten rennen, anders missen we de bus.

Onthoud rennen voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen rennen in ripiti