Engels · naamwoord

family

de familie, het gezin

naamwoorden · set 2

Voorbeeldzinnen

My family lives in a small town.
Mijn familie woont in een klein stadje.
We spent the holidays with family.
We brachten de vakantie door met familie.
They will visit family next weekend.
Ze gaan volgend weekend familie bezoeken.

Onthoud family voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen family in ripiti