Engels · werkwoord

to live

wonen, leven

regelmatigwerkwoorden · set 5

Voorbeeldzinnen

She lives near the city centre.
Ze woont dicht bij het centrum.
He lived in Spain for ten years.
Hij woonde tien jaar in Spanje.
We will live here until next summer.
We zullen hier wonen tot volgende zomer.

Vervoeging 4 tijden · goud is onregelmatig

onvoltooid tegenwoordige tijd (present simple)onvoltooid verleden tijd (past simple)
Ilivelived
youlivelived
he / sheliveslived
welivelived
you (plural)livelived
theylivelived
voltooid deelwoord lived
-ing-vorm living

Onthoud to live voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen to live in ripiti