Engels · werkwoord

to play

spelen

regelmatigwerkwoorden · set 4

Voorbeeldzinnen

He plays football with his friends.
Hij speelt voetbal met zijn vrienden.
She played tennis with her brother yesterday.
Ze speelde gisteren tennis met haar broer.
They will play a match on Saturday.
Ze zullen zaterdag een wedstrijd spelen.

Vervoeging 4 tijden · goud is onregelmatig

onvoltooid tegenwoordige tijd (present simple)onvoltooid verleden tijd (past simple)
Iplayplayed
youplayplayed
he / sheplaysplayed
weplayplayed
you (plural)playplayed
theyplayplayed
voltooid deelwoord played
-ing-vorm playing

Onthoud to play voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen to play in ripiti