Frans · werkwoord
vêtir
kleden, aankleden
werkwoorden · set 51
Voorbeeldzinnen
Elle vêt son fils avant l'école.
Ze kleedt haar zoon aan vóór school.
La mère a vêtu les enfants de manteaux chauds.
De moeder heeft de kinderen in warme jassen gekleed.
Il faut bien vêtir les bébés en hiver.
Je moet baby's in de winter goed kleden.
Onthoud vêtir voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.
oefen vêtir in ripiti