Dutch · verb

halen

to fetch, to get (something)

regularverbs · set 5

Example sentences

Ik haal elke ochtend vers brood bij de bakker.
I fetch fresh bread from the baker every morning.
Gisteren heeft hij de kinderen van school gehaald.
Yesterday he picked up the children from school.
Morgen zal ik de auto uit de garage halen.
Tomorrow I will get the car out of the garage.

Conjugation 5 tenses · irregular forms in gold

present tensesimple pastpresent perfect
ikhaalhaaldeheb gehaald
jijhaalthaaldehebt gehaald
hij / zijhaalthaaldeheeft gehaald
wijhalenhaaldenhebben gehaald
julliehalenhaaldenhebben gehaald
zijhalenhaaldenhebben gehaald
past participle gehaald
imperative haal

Remember halen for good. ripiti brings the word back just before you forget it, with these sentences. Free, no account needed, works offline.

practise halen in ripiti