Néerlandais · verbe

gaan

aller

● irrégulierverbes · série 1

Phrases d’exemple

Ik ga elke zaterdag naar de markt.
Je vais au marché tous les samedis.
Gisteren zijn we naar het strand gegaan.
Hier, nous sommes allés à la plage.
Morgen zullen we naar oma gaan.
Demain, nous irons chez grand-mère.

Conjugaison 5 temps · l’irrégulier en or

présentprétéritpassé composé
ikgagingben gegaan
jijgaatgingbent gegaan
hij / zijgaatgingis gegaan
wijgaangingenzijn gegaan
julliegaangingenzijn gegaan
zijgaangingenzijn gegaan
participe passé gegaan
impératif ga

Expressions avec gaan

Retiens gaan pour de bon. ripiti fait revenir le mot juste avant que tu ne l’oublies, avec ces phrases. Gratuit, sans compte, fonctionne hors ligne.

travailler gaan dans ripiti