Néerlandais · verbe

laten

laisser, faire (causatif)

● irrégulierverbes · série 3

Phrases d’exemple

Ik laat mijn fiets altijd bij de winkel staan.
Je laisse toujours mon vélo devant le magasin.
Hij heeft gisteren zijn auto laten wassen.
Hier, il a fait laver sa voiture.
Morgen zullen we het huis laten schilderen.
Demain, nous ferons peindre la maison.

Conjugaison 5 temps · l’irrégulier en or

présentprétéritpassé composé
iklaatlietheb gelaten
jijlaatliethebt gelaten
hij / zijlaatlietheeft gelaten
wijlatenlietenhebben gelaten
jullielatenlietenhebben gelaten
zijlatenlietenhebben gelaten
participe passé gelaten
impératif laat

Retiens laten pour de bon. ripiti fait revenir le mot juste avant que tu ne l’oublies, avec ces phrases. Gratuit, sans compte, fonctionne hors ligne.

travailler laten dans ripiti