Néerlandais · verbe

lopen

marcher

● irrégulierverbes · série 3

Phrases d’exemple

Hij loopt elke ochtend een rondje door het park.
Il marche tous les matins autour du parc.
Gisteren zijn we naar het station gelopen.
Hier, nous avons marché jusqu'à la gare.
Morgen zullen we samen naar school lopen.
Demain, nous marcherons ensemble jusqu'à l'école.

Conjugaison 5 temps · l’irrégulier en or

présentprétéritpassé composé
ikloopliepheb gelopen
jijlooptliephebt gelopen
hij / zijlooptliepheeft gelopen
wijlopenliepenhebben gelopen
jullielopenliepenhebben gelopen
zijlopenliepenhebben gelopen
participe passé gelopen
impératif loop

Retiens lopen pour de bon. ripiti fait revenir le mot juste avant que tu ne l’oublies, avec ces phrases. Gratuit, sans compte, fonctionne hors ligne.

travailler lopen dans ripiti