Duits · naamwoord

das Rad

de fiets

met lidwoordnaamwoorden · set 95

Voorbeeldzinnen

Ich fahre jeden Tag mit dem Rad zur Arbeit.
Ik ga elke dag met de fiets naar mijn werk.
Er hat sein Rad gestern repariert.
Hij heeft zijn fiets gisteren gerepareerd.
Wir wollen am Sonntag das Rad nehmen.
We willen zondag de fiets nemen.

Let op

Het lidwoord hoort erbij: das Rad. Zo leer je het geslacht meteen mee.

Ook goed

das Fahrradde fiets

Op de kaart “de fiets” keurt ripiti ook das Fahrrad goed.

Onthoud das Rad voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen das Rad in ripiti