Duits · naamwoord

das Fahrrad

de fiets

met lidwoordnaamwoorden · set 25

Voorbeeldzinnen

Ich fahre jeden Tag mit dem Fahrrad zur Arbeit.
Ik ga elke dag met de fiets naar mijn werk.
Gestern habe ich mein Fahrrad selbst repariert.
Gisteren heb ik mijn fiets zelf gerepareerd.
Wir wollen morgen ein Fahrrad kaufen.
Wij willen morgen een fiets kopen.

Let op

Het lidwoord hoort erbij: das Fahrrad. Zo leer je het geslacht meteen mee.

Ook goed

das Radde fiets

Op de kaart “de fiets” keurt ripiti ook das Rad goed.

Onthoud das Fahrrad voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen das Fahrrad in ripiti