Duits · naamwoord

die Schüssel

de schaal, de kom

met lidwoordnaamwoorden · set 76

Voorbeeldzinnen

Die Schüssel steht auf dem Tisch.
De schaal staat op tafel.
Sie hat die Schüssel mit Salat gefüllt.
Ze heeft de schaal met sla gevuld.
Ich brauche eine große Schüssel.
Ik heb een grote schaal nodig.

Let op

Het lidwoord hoort erbij: die Schüssel. Zo leer je het geslacht meteen mee.

Onthoud die Schüssel voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen die Schüssel in ripiti