Duits · werkwoord

geben

geven

● onregelmatigwerkwoorden · set 1

Voorbeeldzinnen

Sie gibt dem Kind einen Apfel.
Ze geeft het kind een appel.
Er hat mir seine Telefonnummer gegeben.
Hij heeft mij zijn telefoonnummer gegeven.
Ich werde dir morgen das Buch geben.
Ik zal je morgen het boek geven.

Vervoeging 5 tijden · goud is onregelmatig

tegenwoordige tijd (Präsens)voltooide tijd (Perfekt)gebiedende wijs (Imperativ)verleden tijd (Präteritum)
ichgebehabe gegeben—gab
dugibsthast gegebengibgabst
er / sie / esgibthat gegeben—gab
wirgebenhaben gegeben—gaben
ihrgebthabt gegebengebtgabt
sie / Siegebenhaben gegebengeben Siegaben
voltooid deelwoord (Partizip II) gegeben

Onthoud geben voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen geben in ripiti