Duits · werkwoord

machen

doen (bezigheid), maken

regelmatigwerkwoorden · set 1

Voorbeeldzinnen

Was machst du am Wochenende?
Wat doe je in het weekend?
Wir haben gestern Hausaufgaben gemacht.
Wij hebben gisteren huiswerk gemaakt.
Ich werde später das Abendessen machen.
Ik zal straks het avondeten maken.

Vervoeging 5 tijden · goud is onregelmatig

tegenwoordige tijd (Präsens)voltooide tijd (Perfekt)gebiedende wijs (Imperativ)verleden tijd (Präteritum)
ichmachehabe gemacht—machte
dumachsthast gemachtmachmachtest
er / sie / esmachthat gemacht—machte
wirmachenhaben gemacht—machten
ihrmachthabt gemachtmachtmachtet
sie / Siemachenhaben gemachtmachen Siemachten
voltooid deelwoord (Partizip II) gemacht

Onthoud machen voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen machen in ripiti