Duits · werkwoord

leben

leven, wonen (ergens leven)

regelmatigwerkwoorden · set 4

Voorbeeldzinnen

Meine Großeltern leben auf dem Land.
Mijn grootouders leven op het platteland.
Er lebte früher in Hamburg.
Hij woonde vroeger in Hamburg.
Ich möchte später im Ausland leben.
Ik wil later in het buitenland wonen.

Vervoeging 5 tijden · goud is onregelmatig

tegenwoordige tijd (Präsens)voltooide tijd (Perfekt)gebiedende wijs (Imperativ)verleden tijd (Präteritum)
ichlebehabe gelebt—lebte
dulebsthast gelebtleblebtest
er / sie / eslebthat gelebt—lebte
wirlebenhaben gelebt—lebten
ihrlebthabt gelebtlebtlebtet
sie / Sielebenhaben gelebtleben Sielebten
voltooid deelwoord (Partizip II) gelebt

Onthoud leben voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen leben in ripiti