Duits · werkwoord

fahren

rijden, varen (met voertuig)

● onregelmatigwerkwoorden · set 4

Voorbeeldzinnen

Ich fahre jeden Tag mit dem Rad.
Ik ga elke dag met de fiets.
Wir sind letzten Sommer nach Italien gefahren.
Wij zijn afgelopen zomer naar Italië gereisd.
Morgen werden wir zusammen nach München fahren.
Morgen gaan wij samen naar München.

Vervoeging 5 tijden · goud is onregelmatig

tegenwoordige tijd (Präsens)voltooide tijd (Perfekt)gebiedende wijs (Imperativ)verleden tijd (Präteritum)
ichfahrebin gefahren—fuhr
dufährstbist gefahrenfahrfuhrst
er / sie / esfährtist gefahren—fuhr
wirfahrensind gefahren—fuhren
ihrfahrtseid gefahrenfahrtfuhrt
sie / Siefahrensind gefahrenfahren Siefuhren
voltooid deelwoord (Partizip II) gefahren

Onthoud fahren voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen fahren in ripiti