Duits · werkwoord

meinen

menen, vinden (mening), bedoelen

regelmatigwerkwoorden · set 4

Voorbeeldzinnen

Ich meine, wir sollten jetzt gehen.
Ik meen dat we nu moeten gaan.
Er meinte, das Essen sei zu teuer.
Hij meende dat het eten te duur was.
Sie hat gemeint, es wird regnen.
Ze heeft gemeend dat het zou regenen.

Vervoeging 5 tijden · goud is onregelmatig

tegenwoordige tijd (Präsens)voltooide tijd (Perfekt)gebiedende wijs (Imperativ)verleden tijd (Präteritum)
ichmeinehabe gemeint—meinte
dumeinsthast gemeintmeinmeintest
er / sie / esmeinthat gemeint—meinte
wirmeinenhaben gemeint—meinten
ihrmeinthabt gemeintmeintmeintet
sie / Siemeinenhaben gemeintmeinen Siemeinten
voltooid deelwoord (Partizip II) gemeint

Onthoud meinen voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen meinen in ripiti