Frans · werkwoord

appartenir à

toebehoren aan, van iemand zijn

met vast voorzetselwerkwoorden · set 21

Voorbeeldzinnen

Cette maison appartient à ma tante.
Dit huis behoort toe aan mijn tante.
Le terrain a appartenu à sa famille.
Het terrein behoorde toe aan zijn familie.
Ce tableau appartiendra à la mairie.
Dit schilderij zal aan het gemeentehuis toebehoren.

Let op

Het voorzetsel hoort bij het woord. Zonder is het antwoord in ripiti fout: appartenir à, niet appartenir.

Onthoud appartenir à voorgoed. ripiti laat het woord terugkomen net voordat je het vergeet, met deze zinnen erbij. Gratis, zonder account, werkt offline.

oefen appartenir à in ripiti