Dutch · verb

leren

to learn

regularverbs · set 4

Example sentences

Zij leert dit jaar Frans op school.
She is learning French at school this year.
Ze heeft afgelopen jaar veel Spaans geleerd.
Last year she learned a lot of Spanish.
Volgend jaar zal hij leren autorijden.
Next year he will learn to drive.

Conjugation 5 tenses · irregular forms in gold

present tensesimple pastpresent perfect
ikleerleerdeheb geleerd
jijleertleerdehebt geleerd
hij / zijleertleerdeheeft geleerd
wijlerenleerdenhebben geleerd
jullielerenleerdenhebben geleerd
zijlerenleerdenhebben geleerd
past participle geleerd
imperative leer

Remember leren for good. ripiti brings the word back just before you forget it, with these sentences. Free, no account needed, works offline.

practise leren in ripiti