Dutch · verb

liggen

to lie (be situated), to lie down

● irregularverbs · set 3

Example sentences

Het dorp ligt vlak bij de rivier.
The village lies right next to the river.
Vroeger heeft het huis aan de rand van het bos gelegen.
In the past the house lay at the edge of the forest.
Morgen zal de nadruk op sport liggen.
Tomorrow the emphasis will lie on sports.

Conjugation 5 tenses · irregular forms in gold

present tensesimple pastpresent perfect
ikliglagheb gelegen
jijligtlaghebt gelegen
hij / zijligtlagheeft gelegen
wijliggenlagenhebben gelegen
jullieliggenlagenhebben gelegen
zijliggenlagenhebben gelegen
past participle gelegen
imperative lig

Remember liggen for good. ripiti brings the word back just before you forget it, with these sentences. Free, no account needed, works offline.

practise liggen in ripiti