Dutch · verb

werken

to work

regularverbs · set 4

Example sentences

Zij werkt drie dagen per week in het ziekenhuis.
She works three days a week at the hospital.
Vroeger heeft hij bij een bakkerij gewerkt.
In the past he worked at a bakery.
Morgen zal ik vanuit huis werken.
Tomorrow I will work from home.

Conjugation 5 tenses · irregular forms in gold

present tensesimple pastpresent perfect
ikwerkwerkteheb gewerkt
jijwerktwerktehebt gewerkt
hij / zijwerktwerkteheeft gewerkt
wijwerkenwerktenhebben gewerkt
julliewerkenwerktenhebben gewerkt
zijwerkenwerktenhebben gewerkt
past participle gewerkt
imperative werk

Remember werken for good. ripiti brings the word back just before you forget it, with these sentences. Free, no account needed, works offline.

practise werken in ripiti