Olandese · verbo

wonen

abitare, vivere

regolareverbi · serie 4

Frasi d'esempio

Ik woon al jaren in dezelfde straat.
Abito da anni nella stessa strada.
Vroeger heeft zij in Frankrijk gewoond.
Un tempo viveva in Francia.
Volgend jaar zullen we dichter bij het centrum wonen.
L'anno prossimo abiteremo più vicino al centro.

Accettato anche

levenvivere

Sulla carta “abitare” ripiti accetta anche leven.

Coniugazione 5 tempi · in oro le forme irregolari

presentepassato semplicepassato prossimo
ikwoonwoondeheb gewoond
jijwoontwoondehebt gewoond
hij / zijwoontwoondeheeft gewoond
wijwonenwoondenhebben gewoond
julliewonenwoondenhebben gewoond
zijwonenwoondenhebben gewoond
participio passato gewoond
imperativo woon

Ricorda wonen per sempre. ripiti fa tornare la parola poco prima che tu la dimentichi, con queste frasi. Gratis, senza account, funziona offline.

esercita wonen in ripiti