Dutch · verb

hebben

to have

● irregularverbs · set 1

Example sentences

Ik heb elke ochtend een kopje koffie nodig.
I need a cup of coffee every morning.
Vroeger hadden wij een grote hond in de tuin.
In the past we had a big dog in the garden.
Volgend jaar zullen we meer tijd voor vakantie hebben.
Next year we will have more time for vacation.

Conjugation 5 tenses · irregular forms in gold

present tensesimple pastpresent perfect
ikhebhadheb gehad
jijhebthadhebt gehad
hij / zijheefthadheeft gehad
wijhebbenhaddenhebben gehad
julliehebbenhaddenhebben gehad
zijhebbenhaddenhebben gehad
past participle gehad
imperative heb

Remember hebben for good. ripiti brings the word back just before you forget it, with these sentences. Free, no account needed, works offline.

practise hebben in ripiti